Deel 41, pagina 49:
    Welzeker kon hij een auto huren, zei een man in een blauwe stofjas, hij had nog een mooie Opel staan.
    Arie schudde zijn hoofd. „Trabant,” zei hij. „Ik wil een Trabant.”
    De man schoot in de lach. „Niemand wil een Trabant,” verklaarde hij. „Meneer, die dingen zuipen benzine, ze stinken en als je lang hard rijdt over een slechte weg, dan hou je er een wandelende nier aan over.”
    „Trabant,” herhaalde Arie. „Ik heb altijd al in zo’n auto willen rijden.”
    De man zuchtte. „Gek,” zei hij vol overtuiging. „Je bent gek, jongen, weet je dat?”
    Arie lachte hem blij toe. „Weet ik al jaren. Hebt u een Trabant of niet?”


    Miniatuur-Trabant.